Jeugdzorg Anders - Knelpunten en uitgangspunten / oplossingen: systeemgerelateerd
- Knelpunt 1: Onvoldoende passende en tijdige vroeghulp
- Knelpunt 2: Draaideureffect door nagenoeg gebrek aan geformaliseerde nazorg
- Knelpunt 3: Verplichte indicatiestelling leidt tot toename wachttijd: problemen verergeren
- Knelpunt 4: Financieren van wachtlijsten is een perverse prikkel.
- Knelpunt 5: Bureau Jeugdzorg (BJZ) en Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) bestaan naast elkaar
- Knelpunt 6: Betrokkenheid drie bestuurslagen.
- Knelpunt 7: Verschillende leeftijdsgrenzen geïndiceerde en preventieve jeugdzorg
Knelpunt 1: Onvoldoende passende en tijdige vroeghulp
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
Benut meer de eigen kracht van kind en ouder(s):
- Kijk naar wat kind en ouder(s) zelf kunnen bijdragen aan de oplossing van de problemen, in plaats van alles aan de professional(s) over te laten. Geef mensen zoveel als mogelijk zélf de regie over hun eigen leven; maak mensen zelf mede verantwoordelijk voor hun eigen leven maar ook voor de publieke zaak. Veiligheid is daarbij een randvoorwaarde.
- Werk veel meer met zogenaamde ‘community based’ programma’s die zich richten op empowerment[i] zoals ‘De Eigen Kracht Conferentie’ (EKC). Bij EKC's wordt - onder begeleiding van een onafhankelijke coördinator - een sociaal netwerk rondom een problematische gezinssituatie geactiveerd. Het is gericht op het zoveel mogelijk op eigen kracht oplossen van de problemen. Onderzoeken geven aan dat EKC's zeer effectief zijn, relatief snel met duurzame resultaten. De kosten zijn relatief laag; zo’n 80% van de oplossing komt uit het gezin/omgeving, slechts 20% van de hulpverlener.
- Betrek jeugdigen/ouders bij de vraag waar het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) komt, neem hen op in adviesraden en houd rekening met ze. Stel een jeugd-/ouderconsulent aan.
- Besteed aandacht aan Cliëntenraden.
[i] Empowerment gelooft in de kracht van de mens en doet echt appèl op die kracht. Het focust op potenties van personen en groepen.
Meer focus op preventie
Een goed functionerend lokaal (voor-)veld voorkomt dat jeugdproblemen onnodig escaleren tot complexe problematiek.
- Meer oog hebben voor sociaal/economische omstandigheden; verbindingen maken met andere beleidsterreinen als huisvesting, werkgelegenheid en onderwijs.
- Onderwijs zien als tweede opvoedmilieu:
- Investeren in sociale vaardigheden van leraren;
- Investeren in Zorgadviesteams (ZAT's);
- Aanbieden laagdrempelige eerstelijns hulp via schoolarts en schoolmaatschappelijk werk met (waar nodig) verbindingen naar de CJG's;
- Investeren in brede scholen met brede functie voor de buurt;
- Verleiden ouders te participeren in activiteiten op scholen;
- Meer oog voor onderwijsuitval. Dit is een toenemend probleem bij jongens: ze kunnen minder goed omgaan met de vrijheden die het studiehuisconcept biedt en met de feminisering van het onderwijs.
- Vragen over opvoeden/opgroeien moeten 'gewoon' worden, een kans voor laagdrempelige CJG’s en JIP’s en hun websites[i];
- Oplossingen ook in eenvoudige zaken zoeken: zoals zorgen dat ouders en jeugdigen bij het CJG ook informatie kunnen vinden over subsidiemogelijkheden voor vrijetijdsbesteding (b.v. lidmaatschap sportvereniging);
- investeren in programma’s als ‘Wonen, leren en werken’. Dit programma biedt kansen voor jongeren in begeleiding naar zelfstandigheid. Het moet voorkomen dat ze voortijdig de school verlaten zonder werk[ii];
- Meer aandacht voor ‘outreachend’ werken: (zwerf)gezinnen/(zwerf)jongeren in hun eigen leefomgeving opzoeken. Zij zullen zelf niet bij een CJG naar binnen stappen. Ze zijn vaak niet in beeld en hebben - als er hulp nodig is - veelal zware hulp nodig.
[i] Een eigen CJG-website voor jongeren náást een website voor ouders/opvoeders lijkt hierbij, gezien onderzoeksresultaten van adviesbureau Alleato (zie rapport “Jongerenwensen CJG-website”, oktober 2009) onontbeerlijk.
[ii] De kans hierop is zeker groot als ze niet meer thuis kunnen wonen en te weinig bagage hebben om al zelfstandig te kunnen deelnemen aan de samenleving. In andere Europese landen is al jaren bewezen dat dit programma succesvol is. Het voorziet in een grote behoefte.
Knelpunt 2: Draaideureffect door nagenoeg gebrek aan geformaliseerde nazorg
Er ontbreekt eigenlijk een schakel in de keten van zorg: teruggeleiding naar de preventieve jeugdzorg (bijvoorbeeld maatschappelijk werk) na uitbehandeling in de jeugdzorg. Er moet vooral meer oog komen voor de oudere jeugdigen die nog te weinig bagage hebben om zelfstandig te kunnen deelnemen aan de maatschappij, maar niet meer terug kunnen vallen op een veilige thuissituatie. Een wachtlijst voor deze zorg is onwenselijk.
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
- Ontwikkel, samen met partijen in de jeugdzorg en preventieve jeugdzorg, een eerstelijns zorgaanbod, zónder wachttijd, voor ‘in de jeugdzorg uitbehandeld kind/ouder(-s)’. Hierbij moeten rollen en verantwoordelijkheden duidelijk worden gedefinieerd.
- Nazorg moet in beleid en overlegsituaties een vaste rol krijgen.
- Meer oog krijgen voor vormen van begeleid zelfstandig wonen, zoals een programma als ‘Wonen, Leren en Werken’ (zie pagina 11: ‘Meer focus op preventie’).
Knelpunt 3: Verplichte indicatiestelling leidt tot toename wachttijd: problemen verergeren
De verplichte indicatiestelling hoort te werken als zorgbewaker: het moet onnodig gebruik van het recht op zorg voorkomen en bewaken dat de zorg vraaggestuurd is en niet aanbodgestuurd. In de praktijk zorgt de indicatiestelling voor extra lange wachttijden. Hierdoor is de geïndiceerde zorg, op het moment dat deze beschikbaar komt, niet altijd nog wel de juiste zorg. De problematiek kan dan inmiddels zodanig verergerd zijn dat andere, zwaardere en duurdere, zorg nodig is.
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
- Het wantrouwen van zorgaanbieders (bang voor te dure jeugdzorg zonder onafhankelijke indicatiestelling) laten omslaan naar vertrouwen. Verantwoordelijkheid geven aan de zorgaanbieders. Zonder vrijblijvendheid: zorgaanbieders moeten volgens een protocol handelen. Met financiële sancties als stok achter de deur.
- Indicatiebesluit vereenvoudigen en integraal vaststellen (dus in samenhang met jeugd-LVG en jeugd-GGZ), waarbij alleen behandeldoelen worden benoemd door de indiceerders van een CJG. De specialistische indicatie, de inhoud van de behandeling, wordt aan de zorgaanbieders overgelaten. Een integraal indicatiebesluit dient ook te worden afgestemd met indicatiebesluiten voor het speciaal onderwijs. N.B. Het indicatiebesluit laten vervallen voor de lichte ambulante zorg is door het kabinet in november 2009 tot beleid voorgesteld. Dit onderschrijven wij.
- (Beperkt) recht op jeugdzorg heroverwegen.
Knelpunt 4: Financieren van wachtlijsten is een perverse prikkel.
In de praktijk hebben jongeren vaak hulp nodig vanuit verschillende disciplines: jeugdzorg, jeugd-GGZ en jeugd-LVG. Het gedrag van kinderen houdt zich nu eenmaal niet aan die indeling. Ook kunnen andere leden van het gezin daarnaast nog gebruik maken van preventieve zorg. Zij moeten niet doorverwezen worden van de ene discipline naar de andere, maar één vloeiend behandeltraject ontvangen, dwars door de verschillende disciplines heen, op basis van één integraal behandelplan per kind/gezin.
In het huidige financieringssysteem worden activiteiten en programma's soms onnodig lang voortgezet, of juist gestopt omdat de van te voren afgesproken termijn is verstreken. Zonder dat daarbij de vraag wordt gesteld of het resultaat is bereikt. Het kind wordt doorgespeeld naar een ander zorgtraject, of de problematiek doet zich later weer voor. Oorzaak is mede de perverse financieringssystematiek in het huidige systeem. Samenwerken kost nu geld. Alleen de kosten die de instelling zelf maakt, worden gefinancierd. Als wel wordt samengewerkt moeten instellingen dit zelf betalen, er is geen beloning voor samenwerking.
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
- Ontkokering van de financiering: één financieringskader voor de totale jeugdzorg (d.w.z. wat nu als preventieve jeugdzorg, geïndiceerde jeugdzorg en JGGZ en JLVG wordt aangeduid). Zo wordt voorkomen dat de financiële consequentie van het ontbreken van goedkopere preventieve zorg wordt doorgeschoven van de ene overheidslaag naar de andere. Bovendien ontstaat er zo een positieve prikkel om zorg eerder (preventief) af te vangen. Deze doeluitkering moet op termijn worden verstrekt aan die overheidslaag die het meest direct te maken heeft met de jeugdzorgproblematiek: de gemeente. Voorwaarde hiertoe is dat de gemeente over voldoende bestuurskracht beschikt. Zie paragraaf 3.3: 'Kunnen de gemeenten deze extra taak aan?'
- Uitgangspunt: 1 kind/gezin, 1 plan.
- Samenwerken belonen; dus het inbouwen van financiële samenwerkingsprikkels, bijvoorbeeld het financieel stimuleren van ontwikkelingen van een intersectoraal zorgaanbod[i]
- Overstappen naar een systeem van financiering van resultaten in plaats van activiteiten en programma's met een bepaalde van te voren vastgestelde duur en prijs. Hierbij wordt het aan de zorgaanbieders overgelaten hoe omvangrijk en hoe lang de interventie moet duren .[ii]
- Meer inzet van methoden gericht op efficiëntie bij meervoudige hulp zoals ‘Wraparound Care (WAC)'[iii] : een goed en succesvol voorbeeld dat zich richt op het verbeteren van de hulpverlening aan multi-probleemgezinnen. Gericht op het efficiënt samenwerken van werkers in de jeugdzorg en het lokale veld op meerdere gebieden tegelijk. Een coördinerend hulpverlener/gezinsmanager gaat samen met de cliënt na wat het gewenste einddoel is en welke personen en instellingen er nodig zijn om dit doel te bereiken. Samen vormen zij een team dat als het ware ‘om het gezin heen staat’ (‘wrap around’) en gezamenlijk werkt aan het verbeteren van de situatie van het gezin. De eigen kracht van het gezin en het herstel van het gewone leven staan centraal. Eén gezin, één plan is het uitgangspunt. Waar de Eigen Kracht Conferentie (zie bij knelpunt 1) bedoeld is om te voorkomen dat zwaardere (geïndiceerde) zorg moet worden ingezet, is WAC een methode om meervoudige hulp efficiënt in te zetten.
[i] In de provinciale vernieuwingsagenda Utrecht Jeugd Centraal (UJC) worden momenteel pilots met voorrang gefinancieerd die intersectoraal zijn, gericht op de multiprobleemgezinnen. Hierbij staat samenwerking en dus samenhang binnen de jeugdzorg centraal.
[ii] In de provincie Utrecht wordt hier momenteel mee geëxperimenteerd bij enkele zorgaanbieders. Hierbij wordt vooraf een ‘nulmeting’ uitgevoerd en doelen gesteld. Na behandeling wordt gekeken in welke mate de problematiek verminderd is, welke doelen zijn behaald en hoe de cliënttevredenheid is a.d.h.v. ontwikkelde prestatie-indicatoren. Hier wordt het beleid zo nodig op bijgestuurd.
[iii] Meer aandacht voor de wrapparound-benadering (waarin de langgerekte ketenbenadering wordt omgevormd tot een cirkel rond kinderen, jongeren en opvoeders) is een pleidooi van Jo Hermanns, hoogleraar opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft onder meer in het Tijdschrift Jeugdbeleid, september 2007, een artikel hierover geschreven. Hermanns wijst hierbij op Amerikaanse bewezen effectieve programma’s die zonder uitzondering ‘community based’ zijn en zich richten op empowerment (geloof in de kracht van mensen) van de klanten. Momenteel vinden onder meer in de provincie Utrecht verschillende pilots plaats
Knelpunt 5: Bureau Jeugdzorg (BJZ) en Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) bestaan naast elkaar
De kracht van een CJG is de laagdrempeligheid. Het CJG kan een kans zijn, als het niet de zoveelste extra schakel binnen het systeem wordt, maar doet wat de bedoeling is: verbinden, verbreden en verbeteren van bestaande zorg op het gebied van opgroeien en opvoeden.
Een bedreiging van BJZ is de ‘houdbaarheid van het merk’ door het slechte imago. Als er één financieringskader voor de totale jeugdzorg komt, waarbij één doeluitkering wordt verstrekt aan één bestuurslaag, zullen BJZ én CJG onder die ene bestuurslaag vallen. Dat betekent dat twee organisaties, waarbij andere belangen spelen, rondom één kind/gezin werkzaam blijven. Samengaan van BJZ en CJG is een bedreiging voor de laagdrempeligheid van het CJG, omdat dan ook de gedwongen hulpverlening hier zou worden ondergebracht.
- CJG als een kans zien
- Ontleding van BJZ:
- Indiceren of beter gezegd toeleiden naar jeugdzorg, verplaatsen van het begin van de tweedelijnszorg (zoals dat nu is in BJZ) naar het einde van de eerstelijnszorg, in de backoffice van het CJG. Dit is te vergelijken met het huisartsmodel; dus achter gesloten deuren vindt een doorverwijzen naar de specialistische jeugdzorg plaats. Dit gebeurt door gekwalificeerde personen die de juiste interactie met tweedelijnszorg kunnen bewerkstelligen. In feite wordt dus het frontoffice van het BJZ naar het CJG verplaatst. De kennis (en medewerkers) kunnen mee verhuizen. Verwacht wordt dat dit niet tot grote problemen zal leiden bij medewerkers van BJZ; dit zal voor velen een terugkeer naar het oorspronkelijke vak (uitvoeren basishulp) betekenen.
- AMK, jeugdreclassering en (gezins-)voogdij (huidige backoffice van het BJZ) samen met de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) onderbrengen in een organisatie, waarbij de gescheiden belangen/bevoegdheden gewaarborgd zijn. Met name de in de wet geregelde toetsende – objectieve - rol van de RvdK. Financieel en qua verantwoordelijkheid valt dit onder de rijksoverheid. Dit betekent dat de (gezins)-voogdij weer terug gaat naar waar het oorspronkelijk vandaan kwam. Eventueel kan de jeugdreclassering net als de volwassenreclassering ook landelijk worden georganiseerd. Het AMK onderbrengen bij de RvdK is ook niet onlogisch omdat er nu tussen de onderzoeksfunctie van AMK en de RvdK een overlap van taken bestaat. Tevens kan worden overwogen om de AMK’s en steunpunten huiselijk geweld samen te voegen. Slachtoffers van huiselijk geweld zijn immers in de meeste gevallen kinderen. Of de steunpunten huiselijk geweld óók bij de Raad voor de kinderbescherming onder te brengen.
Knelpunt 6: Betrokkenheid drie bestuurslagen.
De zorgcoördinatie, doorzettingsmacht en de eindverantwoordelijkheid is met een betrokkenheid van drie bestuurslagen complex geregeld. Bovendien heeft in oktober jl. de Raad voor financiële verhoudingen (Rvf) en de Raad voor het openbaar bestuur (Rob) desgevraagd aan het Ministerie van Jeugd en Gezin en het IPO geadviseerd[i] dat de gewenste aanwijzingsbevoegdheid van de provincies voorbij gaat aan de werkelijke problemen in de keten van de jeugdzorg. Bovendien werkt dit contraproductief en biedt dus geen oplossing.
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
Bestuursdrukte verminderen.
Eén bestuurslaag, de gemeente, verantwoordelijk maken voor het gehele aanbod van jeugdzorg:
- De afweging tussen het inzetten van lichte of zwaardere zorg wordt daarmee in één hand gelegd; doorschuiven en stagneren van problemen kan daarmee beter worden voorkomen.
- De gemeente staat het dichtst bij kind/ouder(-s) en heeft het meest direct te maken met de betrokken partijen in het preventieve jeugdzorgveld: scholen, kinderopvang, peuterspeelzaal, maatschappelijk werk,etc. Ook de rijksoverheid geeft de regierol steeds meer aan gemeenten.
- De gemeente is er als regisseur verantwoordelijk voor dat helder is vastgelegd welke instelling de uitvoerende verantwoordelijkheid voor coördinatie van zorg heeft. De gemeente is ook oplosser van knelpunten in de coördinatie.
[i] Advies Ingrijpingsbevoegdheid provincies naar gemeenten inzake de jeugdzorg, Raad voor de financiële verhoudingen (rfv) en Raad voor het openbaar bestuur (rob), oktober 2009.
Knelpunt 7: Verschillende leeftijdsgrenzen geïndiceerde en preventieve jeugdzorg
De gemeentelijke preventieve jeugdzorg loopt tot 23 jaar, de provinciale geïndiceerde jeugdzorg tot 18 jaar. Jongeren tussen 18 en 23 komen bij de volwassenenhulpverlening terecht, met negatieve effecten voor de behandeling.
De ondertoezichtstelling vervalt bij 18 jaar. Dit is onwenselijk als de cliënt nog onvoldoende zelfstandig kan participeren in de maatschappij of zelfs gevaar dreigt voor verder afglijden.
Gewenste uitgangspunten/oplossingen:
- De leeftijdsgrens voor de provinciale geïndiceerde jeugdzorg dient te worden verhoogd naar 23 jaar, met uitloop naar 27 jaar (conform de leeftijdsgrens voor Wajong[i] ). Als zelfstandige participatie dan nog niet mogelijk is, volgt overdracht naar de volwassenzorg. Hiermee volgen wij de visie van de Maatschappelijke Ondernemers (MO-)groep Jeugdzorg.
[i] Wajong is een uitkering voor jonggehandicapten; voor wie al op jonge leeftijd ziek of gehandicapt is en daardoor niet of minder kan werken.




word lid






